Grootbrengen, of kleinhouden?


Eenmaal achter de rug, met ouders zonder diploma en ik ga het van voor af aan beginnen? Om het naast groot te brengen, ook klein te houden, zeker. Zoals ik me bij heb gebracht.
Opvoeden is ook een woord om je met een ander te bemoeien. Heb ik niets anders te doen, dan te zorgen dat iemand groot wordt? Wat vanzelf gaat, overigens. In het grote plaatje dan. In het kleine plaatje misleidt het, om te denken dat ik me verantwoordelijk moet houden voor iemand. Dit kan toch niet een reden zijn om het te willen?
Tuurlijk, er komt een valide argument als ik er naar vraag. Zegen het vaardige van verzinnen. Niet dat ik het geloof. Net als ervoor zorgen dat iemand zich zedelijk en geestelijk ontwikkelt. Het is van toepassing, als er een waterdicht argument voor is. Wat er niet is. Wie niet tot de bodem gaat, neemt genoegen met wat anderen ook zullen zeggen. Iets, maar zo dat het net even anders klinkt dan de buren. Als ik wie er op de wereld gezet gaat worden, van tevoren kan vragen of het er mee eens is, is het anders. Het risico is niet bekend. Wie onderzoekt het?
We duiken van het ene gezin, in het andere. Om na de luiers, sinterklazen en puberteit een berg te verwerken. Los van het leven, wat er naast geleefd wordt. Namelijk diens eigen. Met een rust, overwoekerd door reuring. Het lijkt een weg om zich op te offeren. Tot het merkt hoe het de pleaser speelt, of de baas. Tot er juiste kennis verschijnt, van hoe opofferen (niet) werkt.
Voel ouders aan, om er met een boog omheen te lopen. Als je gevoel niet verlegen bent, gun je anderen de ruimte om dit ook te ontwikkelen. Laat het voelsprieten kweken. In plaats van kinderen. Vele handen maken licht werk, toch? Misschien dat het risico dan op school wordt besproken. Het is utopisch, weet ik. Er is geen tijd om elkaar te behoeden. We hebben het te druk met opvoeden. Ook een eigen leven wacht en het verleden? Er is veel te verwerken, maar we zijn enige opgedane energie aan het verkwisten, als een gokverslaafde voor een fruitautomaat. Een moment voor een goed boek is er niet bij. Er is geen wijze raad, anders dan dat je voorhoudt, wat jou is voorgehouden. Een of andere wijsheid op een tegeltje, dat is.
Of ik met een kind te maken krijg wat ook tot het bot toe vraagt of niet, het zal in beide gevallen geen match zijn. Iedereen is anders. Groepjes zijn een tijdelijk middel om op eigen benen te staan. Niet om het ego te voeden. Naast dat er een leeftijdsverschil is. Wat heb ik aan wie met blokken speelt, de tafel van vier leert en brommers kiekt? Als het een wereldbelang dient, is het anders. Maar dat doet het niet. Ik ga niet voor meer egoïsme, dank u.


If someone calls you selfish for being childfree, simply ask them why they decided to have children. Their answer will usually begin with

'I wanted'        


Verwissel je kind met een willekeurig kind en de interesse is toch anders. Omdat het 'eigen' is, zie je er van alles in. Het is verbeelding, een zo wil ik het zien en meer sprookje, dan realiteit. Zo ben je opgegroeid en heb je je wijs laten maken. In een gezin. Wat ons begrenst. Het creëert onderscheid. Het is geen rassenhaat, maar het heeft er iets van weg. Het versterkt afgescheidenheid. Verzoen je met solitude om het verschil op te merken.
Het is niet anders, aan de ene kant. We zijn kieskeurig. Hitler stond zestig miljoen Joden niet aan. Hoe dan, Adolf? We willen de grens niet opengooien, tenzij we er iets voor krijgen. Om iets te worden wat we nog niet zijn. Of om ons te bevestigen. In ieder geval om het ego in stand te houden. Naast dat vooroordelen in de weg zitten. We hebben tradities en zijn niet in staat om er een draai aan te geven. Over Sinterklaas moet je bijvoorbeeld geen vragen stellen, anders dan de gebruikelijke. Het is in veel landen niet en hier zelfs een luxe om een paar weken later nog een Sint over de vloer te krijgen. Kadootjes! Jippie! Zoete kinderkoppies! Tot de ontknoping er is.
Kom ik met vragen, dan merk ik hoe de overeenkomst verdwijnt. De kans dat een kind bij je past, is klein. Als je niet manipuleert. Niemand is, wie een ander wil dat het is. Iedereen heeft een eigen leven. In de sfeer waarin het opgroeit, hoeft dit niet helder te zijn. Denk eens aan gezien willen worden. Aandacht en bevestiging zoeken. Iemand voor moeten stellen. Waarom? Voor wie?
Het woord 'kind' wekt een kleinere indruk, in verhouding tot de vader en moeder. Ondertussen groeit het kind. Het doet andere labels op: man, vrouw, volwassene, en zo voort. Het zijn naast dat ook vooroordelen. Wie zo zichzelf is dat er geen woorden voor zijn, hoef ik dit niet uit te leggen. Als het erop aankomt, blijft het een kind. Ondanks dat je volgens de wet, op je achttiende officieel geen kind meer bent. Ook kunnen de rollen wisselen. Of gezien worden voor de illusie, wat het ook voorstelt. Het voorgeprogrammeerde rollenspel zit echter zo diep, dat doorzien geen garantie is.
Des te meer er in een huis leven, des te minder ruimte om jezelf te zijn. Wie laat dit meewegen in het iemand een leven geven? Ben je nog niet uit de kluiten gewassen? Hoe je onder het gezag van je ouders ademruimte arm was, is hoe je met een nakomeling omgaat? Des te meer reden om voor jezelf te leven. Niemand is voortplanten verplicht. Dat het 'familie' is, betekent nog niet dat we hetzelfde zijn. Opgroeien kan als een gevangenis voelen, versus een vrijer leven. Al blijft het een mentale gevangenis, hoe dan ook. 
Ik kan iemand toch niet een wereld gunnen, zoals ik deze zelf heb ondervonden? Met bijvoorbeeld een lading regels, welke vervolgens niet gelden, en dus in de weg zitten om in het heden te leven. Waar ik mezelf af ben gaan vragen wie ik ben. Tot er geen antwoord verscheen. Met het aantal van de wereldbevolking, is het toch zo klaar als een klontje?
'Laten we (wat) afsterven', hoor ik niemand zeggen. Noch voortplanten. Wat wellicht iets zegt over onze agenda en het niet delen ervan. We doen maar, niet? Hebben we eerst onder de lakens te gaan, om vervolgens er vanuit te gaan dat familie het maar heeft te nemen? Dat het geen norm is om anderen ergens bij te betrekken is alles op voor. Wanneer het anderen niet aan zou kunnen gaan. Of zijn we geen familie? Zijn we een niet met elkaar rekening houdend groepje bangeriken, maar zo dat een masker de angst verbergt? Als een gesprek toch gaat over het maken van een kind, is het een 'ze wil er nog een'. Met een indruk achterlatende dat het er zelf niet enthousiast over schijnt. Alsof ja en amen op een grote verandering in het leven, de normaalste zaak van de wereld is. Er wordt nagedacht, maar hoe, dat is de vraag.
Al hoef ik het niet te weten. Met bepaalde dingen ben je klaar als op de vraag wie je bent, geen antwoord is. Wat ook iets zegt om geen kind bloot te stellen aan de realiteit, als er geen reden voor is. De kans dat iemand zelfonderzoek tot zich neemt, is klein. Wat maakt dat het in de realiteit kan blijven hangen. Een gemiddeld mens gelooft in de wereld om zich heen. Ook als deze afgrijselijk is. Succes met dit een ander aandoen.
Als de aarde een paradijs voorstelt, alla. Maar er is pijn en leed, wat we elkaar niet toegeven. Laat staan samen de zinsbegoocheling ervan ontgoochelen. Sinterklaas is tot daar aan toe. Als vanuit een persoon bekeken de gehele persoon er niet blijkt te zijn, is het iets verwerken van ongekende omvang.
Gelukkig is ook dit een deel van de begoocheling. Net als opvoeden, of er een risico ergens aan zit en een kind. Dat er anders over wordt gedacht, sure. Ik val je niet lastig. Gezien ik geen teleurstelling bovenop luiers, sinterklazen en de puberteit ga leggen. Je komt er achter, of niet. Maar niet door mij. Het is geen persoon, dat achter de persoon, de persoon ontmaskert.

Een open geest?

Ik dacht het. Wat blijkt? Ik ben zo open nog niet. Ik sluit per definitie. Mijn 'ik', dat is. Laat het een truc zijn om de creatieveling te faken. Een wortel van 'ik wil worden...' voor het paard, welke ik nergens zie. Zoals een doorgestoken kaart, dat iedereen het ziet en mij niet als kunstenaar bestempelt. Wat geen label is, wat ik waar kan maken.
Een huichelaar komt dichter bij de kern waar het niet om draait. Al blijft ook dit een 'dan ben ik nog iemand'. Net als een 'ik wil worden wat ik wil'. Wat denk je? Net als 'ik bepaal wie ik ben', staat het in de weg. Een open geest lijkt in eerste instantie te openen. Tot ik bewust ben van het bedrog. Met het o zo eerlijke masker.
Nee joh, ik ben zo open-minded. Het werkt zo dat als ik
een parachute
ben, er geen verzekeringsmaatschappij tegenop kan. Ik ga open, no matter what. Een zachte landing is gegarandeerd. Ondertussen blijf ik als ikje aan me eigen open geest verhaal hangen. Om toch te pletter te vallen. Die ik is namelijk niet open te krijgen. Ik blijf uiteindelijk gesloten, hoe open ik me ook voordoe. Alsof ik een onzichtbare pot met goud voorstel, om erachter te komen hoe ik als regenboog de zin begoochel.
Een open geest kan altijd verder open, toch? Wie weerhoudt iemand om nieuwe ideeën te overwegen? Of om echt onbevooroordeeld te zijn? Los van dat het kan lijken dat ik me tegen laat houden door wie dan ook, wie is in het grote plaatje tegen me? Niemand vooralsnog. Mezelf daarentegen...
Een open geest is niet open genoeg? Wie ben ik dat ik het eigenlijk open wil? Wat is er mis met een gesloten geest? En wat is dit willen? Kan ik het op de markt te halen? Moet ik een chirurg vragen? En waarom open? Niet om in een tegengestelde richting me neer te leggen bij het sluiten ervan, maar wat wil ik ermee? Als ik het denk te hebben, wat dan?
Van het ene verlangen naar het andere hoppen. Dit ken ik ondertussen. Wat ook om de voorpret kan gaan, niet het verlangen zelf. Wat als verschijnsel vlucht. Te bang om te blijven. Om zich waar te maken. Niet dat er geen dromen uitkomen. Ze komen alleen uit in weer een andere droom. Over Inception gesproken...
Niets verzadigt echt. Ik hoef over Boeddha niet te lezen, om er achter te komen dat ik of iets wil wat ik niet heb, of iets wat ik heb, niet wil. Nu, zo'n zin zegt genoeg over de droge stof ervan. Laat ik een open geest bij de boodschappen schrijven. Kijken in welk schap ik het tref.
Open staan is een aanmoediging waard. Tot het net als de doorgestoken kaart, de wortel en het paard, opklaart. Er even niets voor de geest verschijnt. Hèhè. Hoef ik niet bezig met me als fictief figuur. Misschien is er iets anders wat de aandacht trekt. Een ademhaling, geluidje of de rikketik.
Wat als woorden net zo sluiten als 'ik'. Wat in verhouding tot de waarneming, niet als verlichting voelt. Niet de vage bedoeling van verlichting, overigens. Gewoon, net als een bezoek aan het toilet. Er valt iets van je af. Iets voelt lichter in verhouding tot. Tussen de gedachten door, klaart het als zon achter de wolken op. Waar ik geen spiritueel onderonsje voor op hoef te zoeken. Ik vond het toch al zo'n zweverige term en er wordt niet met de vuist op tafel geslagen. Spirituele zoekers zoeken het maar uit. Letterlijk.
Wat een idee kan zijn om een onderwerp te bekijken. Neem een spirituele zoektocht in dit geval. Zet het op papier en ga ervoor. Bouw het uit. Lees erover. Geloof erin. Ga er in op. Voel tot er niets te voelen is. Pak het met twee handen beet. Ik wil zoeken, dus ik ga zoeken. Laat het zoeken zelfs. Eerst ik. Ik geef me een knuffel. Ik word laaiend enthousiast van mezelf. Dan word ik laaiend. Woedend. Waarom? Ik bedrieg mezelf.
Eerst lijkt het wat. Dan heb ik wat te doen. Het is valse hoop, maar dit weet ik nog niet. Als concentratieoefening en om de denkmachine te smeren, is er nog niet genoeg aan de hand. Pas als ik tot uitvoering over ga, komen de vragen. Hoe zie ik er spiritueel uit? Als ik in de spiegel kijk, kan ik me zo vinden. Maar het tegenovergestelde ook. Wie houd ik voor de gek? Anderen liever niet. Ik twijfel. Het spirituele opzij, dan maar. Het is ook een lang woord. Het kan alle kanten op. Over een open geest gesproken... Nee, nu ga ik weer. Ik lieg.
Wat stelt het zoeken dan voor? Als ik iets zoek, weet ik wat ik zoek. Anders zeg ik maar wat. 'Ik zoek wat', 'wat dan?' 'Weet ik niet.' Dan houdt de zoektocht op. Wat een verademing. Ik had me twijfels al. Ik kan geen zoektocht verwezenlijken. Een open geest is ook tot daar aan toe. Niets is me te realiseren.
Waar angst eerder te groot voelde, schijnt nu humor door de wolken. Hoe opgelucht ik me verlicht voelde, is het zoveelste verhaal. Angst, wolken en humor komen geloofwaardig op. Ze gaan ongeloofwaardig neer. Onderzoek kan beginnen met een aanname. Het erin eindigen betekent onderzoek.
Een open geest? Het is gesloten dat ik lieg. Als tegengewicht om mezelf te verloochenen. Om mijn 'zelf' te verloochenen. Het is niet niets, of juist, om dit zo te beschrijven. Laat het boodschappenlijstje maar. Wat ik wil, ga ik niet vinden. Zoals
Ram Tzu
betitelde, 'wie zoekt zal niet vinden'. Of
Hans Laurentius
Waar een wil is,

is een weg,
zegt men.

Maar waar ontdekt wordt
dat de wil niet bestaat
verdwijnt de weg,
want waar naar toe?

Blijft het onnoembare over
zonder de illusie van bereiken.

Waar een wil is, is geen weg
waar geen wil is, ben ik weg.

De uitdaging niet te arriveren
omdat elke poging tot vertrek
reeds is geannuleerd.

Hans Laurentius,   
Terwijl de merel zingt   
met, 'waar een wil is, is geen weg'. Tegenstrijdig, niet? Zet het in de krant. Kijken wat er gebeurt. Nee, dit haalt het niet om groot publiek te interesseren. Hier heb je beide voeten voor in de aarde te steken. Aards te leven. Niet dat we dat niet doen. Het kan aardser, zeg maar.
Het nuchtere haalt geloof uit elkaar. Zo lijk ik me te bevrijden. Wat dan niet nuchter is. Het is niet bevrijdend, maar voor het verhaal. Het is niet de realiteit dat ik een wil heb, of niet. Het komt op als een ik-wil-waar-worden-overtuiging. Dan komt het vraagteken. Of niet, en dan ga ik er een verhaal van maken. Zoals hier. Iedereen is ook een vraagteken, dus zo moeilijk is het niet om van jezelf gebruik te maken. In andere woorden, noem het een krul met een stip eronder, maar ik plak het overal achter. Ik word er niet gek van. Ik was het al. Om te zwijgen over hoe ik was, zonder het vraagteken. Al heb ik door het vraagteken heen te vragen, om het zo te zeggen.
Zoals hier een fractie van te zien is, schrijf ik het op. Schrijf ik 'ik' op. Met een vraagteken erachter. Of niet. Dan zie ik op een andere manier, wat ik uit mijn grote teen zuig. Of het nu een tekening is, een rondje fietsen of zo'n woordenbrij, het kan beginnen vanuit helderheid. Welke ik vervolgens verdoezel met datgene wat nu juist helder wil zijn. Het is gedoemd om te falen. Een leeg vel papier leeg laten, dan maar? Stilte niet doorbreken? Te bang om wat helder is, helder te laten? Het zal zich toch door een boterham hebben te werken. Dingen gaan door, zogezegd. Waarbij de vraag, wie wil er dan helderheid?
Dan haal ik het, als ik de volgende keer boodschappen doe. Net als een open geest, een spirituele zoektocht en ach, weet je, noem het. Ik heb niets, maar doe alsof ik alles ben. Ik maak alles waar, zo lang ik een teleurstelling speel. Ik schijn, voor de bedrieger in me.
Wat blijkt? Ik bedrieg niet eens. Zo goed, en slecht dat ik bedrieg. Laat het een truc zijn om de bedrieger uit te hangen. Een wortel van 'dan ben ik tenminste nog iemand' voor het paard. Wat ik hier niet zie. Zoals een doorgestoken kaart, dat iedereen het ziet en mij als bedrieger bestempelen, wie niet?

Het geheim sterft met zich

Om een film te ervaren, kijk ik een film. Als ik halverwege stop, is het geen vraag of ik weet waar het over gaat. Ik weet het niet. Als ik wil weten hoe het afloopt, dan kijk ik het af. Tenzij ik tevreden ben met een half verhaal. Niets mis mee. Net als dat ik een leven meen, zonder het einde te kennen. Een half verhaal is in dit geval een oordeel, geen eindoordeel.
Een conclusie is immer te vroeg. Dit kan voor alles gelden. Ik ontkom er niet aan. Wat geen excuus is, voor de duidelijkheid. De gevolgen heb ik onder ogen te komen. Huiswerk zat, zeg maar.
Hoe weet ik van te hebben geleefd, als de weet, welke ik er voor nodig heb, geen kans heeft om me er na afloop van te laten weten? In andere woorden gaat de weet onvolledig met me een graf in. Er kan een overzicht worden gegeven tijdens het leven. Op het laatste moment zelfs. Zonder de dood inbegrepen. Het is, zoals met het slot van een film verlegen, een totaal opmaken. Al wat er vooraf gaat aan de dood is leuk of niet, maar niet de waarheid. Er zijn theorieën zat, verhalen zijn eindeloos, maar reëel weten hoe mijn leven was?
Aan de ene kant kom ik met snippers. Soms een beeld zus, dan zo. Of het verantwoord is om als geheel te zien? Nee. Ik verkijk me erop. Van een film haal ik ook niet de helft weg, als ik het helemaal wil kijken. Een samenvatting van een film, of van het leven een autobiografie, kan nuttig zijn. Kort en krachtig. Maar of iets nuttig is of niet, staat niet gelijk aan de realiteit.
Ook wil ik niet alleen weten wat de ideeën over het leven zijn. Ik wil weten wie de ideeën heeft. Ik wil weten of het waar is. Tot nu toe verschenen ze als flarden. Soms als verhaaltje, maar vaak niet. Hoe ik doorgaans naar iemand keek, bleek geen wie te vormen. Het waren wat en waaroms. Wat ben ik? kan worden beantwoord met 'een kind' tot en met 'een titel'. Of iemand die... enzovoort. Waarom nog terzijde. Wat vragen is om details. Om verklaringen welke het niet halen met het vraagteken, wat ik erachter blijf zetten.
Dat er een grijs gebied is tussen wat en wie ik ben, is prima. Voor als ik een grijs gebied nodig heb. En dat heb ik niet. Wie ik ben is niet te veel gevraagd. Er zijn te veel antwoorden, dat wel. En ze beantwoorden wat ik ben, niet wie. Ik behoef geen antwoord. Geen antwoord zal het antwoord zijn. Net als het leven, is er tot aan de dood van alles van te vinden. Tot de dood er is. Dan is het zoek. Weg. Dan heeft het als het ware nooit bestaan.
Ik wil er ook niets van vinden. Ik wil weten wat het is. Directe weet. Tot er een kwartje viel. Tot ik uit een denkbeeldig drijfzand stapte. Niet daarom, want anders ben ik het verklaren. Ik weet niet hoe dingen werken. Net zo ik niet echt iets van het leven weet. Ik wilde het weten, remember? Ik nam het moment voor mezelf. Of dit waar is? Nee. Ik vertel het als verhaal. Ik scheen weg te gaan van de vlakke gang van zaken. Waar ik mezelf niet kon vinden. Tenzij ik tevreden was met me als 'ik'. Als mening. Een schim. Waar ik me mond over hield, want wie zit op me te wachten?
Aan de koffietafel wordt het niets met me. Praatjes vind ik onbelangrijk. Daarover beginnen? Nee. Dit is ook een praatje. Ander smaakje, dat wel. Het was aanpassen, of niet. Een toneelstuk spelen zonder wederzijds inzicht, of het spel elders voortzetten met een knipoog. Daar hoef ik niet lang over na te denken. Met een 'ik' als antwoord ging ik niet akkoord. Het gebruik ervan is zelden praktisch en het zijn doorgaans beelden, die er niet toe doen. Uiteindelijk doet er geen toe.
'Ik' ging onder de loep. Verschijnselen kunnen namelijk net zo vaag waarneembaar zijn, als dat ik wilskrachtig geloof in hun helderheid. Wat een vaag verhaal is, of niet? Andere letters zijn misschien een voorbeeld. Zo benadrukt dit wellicht hoe vaag ik ben. Dit niet. Of als ik in gedachten bij iets stilsta. Een zin, bijvoorbeeld. Of een woord. 'Ik'.
Laat ik er een opdracht van maken. Ik probeer het zo lang mogelijk voor de geest te houden. Het kan zijn dat het echt lijkt. Heel echt zelfs. De angst kan te groot zijn om te zeggen, 'ik heb het door. Die 'ik' lijkt wel en niet.' Naast dat de angst te groot kan zijn, om zonder commentaar te voelen. Zonder labels. Door gade te slaan.
Ik kan worden afgeleid. Door andere dingen die echt lijken. Ook als het lukt, wat weet ik er dan van? Niets. Ik heb het geprobeerd. Ik heb gefaald als ik er een doel in stel. Dit doe ik niet meer. Het boeit me niet. Het resultaat laat ik los. Doorvoelen is zonder doelen. Anders leid ik me af en is het niet de angst wat ik doorvoel. Waar toch een mogelijk doel in zit. Het idee om te doorvoelen kan een A en een B veronderstellen. Spreek de waarheid. Het lukt niemand. Niemand maakt geen fouten. Iemand zei weleens aan het einde van het leven, 'had ik er maar meer gemaakt.'
Wie oplet merkt misschien iets op. Wat hier staat, waar zie je dit? Voor je neus, of in je hoofd? Als je iets zegt, waar komt het dan vandaan? Als er gedachten zijn, kunnen ze een wereld wanen. Wat ook een vaag woord is, wereld. De aardbol is nog te overzien. Ondanks dat niemand deze overziet. We maken er een kleine bol van. Dan is de aardbol te omvatten met ons lichaam. Het is bijvoorbeeld een foto. Niemand legt zijn of haar armen om de aarde. Hier is het een beetje te groot voor. Het is een wereld te noemen. Niemand die het mijne er van weet. Zo ja, dan is het geloof en geen wetenschap. Laat er een reeks ideeën zijn, en zeg je, 'dit stelt een wereld voor', dan is de wereld zo concreet nog niet. Het zijn dan denkbeelden en abstracties. Zonder ze aan te wijzen. Wat niet lukt. Noch dat iemand andermans gedachtes leest, nietwaar?
Laat jezelf opgaan in een fantasie. Verzin een wereld. Verbeeldt een scene. Bedenk dat je bungeejumpt. Kijk dan naar de muur. Of wat er ook om je heen is. Waar is het touw? Niet op de muur. Laat dat wel zijn. Hoeveel meter heb je nog? Kijk naar grond en niemand valt. Het gevoel is net zo schijn. Waarin het 'echte' gevoelens overlapt. Het is een overeenkomst en verschil. Wat iets weg heeft van Method acting.
Vergeet niet dat de persoon een ander woord is voor masker. Het masker dat zich al vanaf begin der tijden ontleent uit toneel. Het ontgaat ons misschien hoe elke dag ook als een tafereel verschijnt. Zo menen we dat er een muur is. Al projecteer je er op los. De muur trekt zich er niets van aan. Of het een muur is, is de vraag. Je hoeft het zo ook niet te noemen. Wat een idee is, is dat alles zich tussen de oren bevindt. Waar je het ziet verschijnen. Het leven. Als film.

Droge stof

is het, wat ik zeg. Geen aantoonbaar feit. Ons lichaam mag voor het grootste deel uit water bestaan. Er is geen gedachte welke er nat van wordt. De waterval in woorden is dubbelzinnig droog. 'Een natte bedoeling' is een zin wat naar een natte bedoeling kan wijzen. De woorden op het scherm zijn waterdicht. Ondanks dat het niet waterdicht is, dubieus genoeg.
Dubieus genoeg? Blijkbaar niet. Een inhaalslag om van gareel te wijken lijkt eerder net begonnen, dan dat het einde in zicht is. Als ik op een bepaalde manier mezelf ben, heb ik geen woorden. Dan kunnen er tig verschijnen. Geen van deze, noch déze, halen 'de finish'. Sommige worden openbaart, anderen niet aangeboden. Beide draaien ze tot aan de dood om de waarheid heen.
Met gedachten welke water vrezen wordt het geen zwemmen, zal ik zeggen. Wel als we 'water' ruimer zien. Wanneer onze beperkte stroom gedachten als rivier in de oceaan mondt. Mochten we onze oogkleppen afdoen. In plaats van ergens op tegen, er op voor zijn. Zoals in improvisatietheater geen 'nee, dat kan niet...', maar een 'ja, ik ga door op je verhaal'.
Ik zeg dat gedachten bang zijn voor water. Of ter illustratie dat ik bijvoorbeeld watervrees voel. Wat geen zwemmen wordt. Dan zeg ik dat dit wel kan. Als je volhoudt dat het niet kan, laat ik je. Dan ben ik weg. Of als er ruimte voor is, komt er een confrontatie. Wanneer je merkt dat het een verhaal is, met meerdere invalshoeken, komt er wellicht een idee van 'ja, angst valt te doorvoelen. Hup, het water in. Het is maar nat en we beginnen ondiep. Of dat het met gedachten geen zwemmen wordt, is omdat ik letterlijk neem dat het in water gaat. Versus dat gedachten door het hoofd zwemmen. Hoewel ook door water heen. Zonder echt te zwemmen. Het is hoe je het bekijkt, niet?'
Het is hoe je het bekijkt. En bevraagd. Wie is bijvoorbeeld zwemmer? Zenja Wendy Emmer is ook Z. W. Emmer. Herhaal het op diverse manieren en voel de humor. ZuhWEMMER. ZWEMmurrr. Swemmah. Bij het lossen van betekenis, is het betekenwas. Dan is betekenis zo vol niet. Het hoofd ook niet. Wat moet je met duizend-en-een-weetjes? Met boeken die je erin blokt?
Vandaag de dag nemen computers het over om gegevens te verzamelen. Met zoekmachine. Wanneer gaan we studies als geneeskunde hun droge stof vervangen met iets effectievers? Van dat ik ooit langs een medisch centrum ging, kreeg ik niet de indruk dat de traditionele leer de weg is. Later dacht ik, dat de tijd die er in het onthouden van dingen gaat, ook besteed kan worden aan grondig onderzoek. Dan hoef ik er niet later zelf achter te komen dat wat iemand diagnosticeert, geen feiten zijn.
Misschien kan het zich ontfermen over een diepgaande aanpak en niet tal van smeersels. Het is kwakzalverij in dat het niet toereikt qua wetenschap. In dat het de buitenkant behandelt, niet de binnenkant. Als het een pleister biedt, heeft het onvoldoende met geneeskunde te maken. Wat overigens terug is te dingen naar de vis medicatrix naturae. Het zelf helen van een organisme. Wat in alle eenvoud te zien is aan de huid. Een wond heelt zonder me. Juist zonder mij, zal ik zeggen.
Of dat we met minder moeite via tekst afspraken maken, versus telefonie. Waar ik in ieder geval geen voorkeur aan geef, aan gebel. Het vraagt meer van je dan strikt noodzakelijk, voelt als rompslomp en afhankelijk? Nee. We kunnen best zonder.
Net als fietsen is het gebruikelijk om te beginnen met zijwieltjes. Met een simpele, eenduidige kijk van zo is het en niet anders. Waar je in gelooft. Droge stof. Waarom we al gauw zonder fietsen, maar in gedachten van alles nodig hebben ter ondersteuning, is me een raadsel. Het is eerder dat ik te open, vragend en vrij van geest wordt gevonden, dan dat een ander zegt, 'goh, ik wist niet dat ik me gevangen houdt. Er is zoveel mogelijk. En onmogelijk. Hoe dubbel. Het is inderdaad hoe je het bekijkt'.
Eclectisch is geen gebruikelijk woord. Misschien omdat het niet vaak voorkomt. Verschillende methoden in werk samenbrengen is ons verlegen, eerder dan rijk. Liever een monopolie op de waarheid wanen, dan een tegenovergesteld argument erop. Of vraagteken erachter.
Neem mij. Ik leef anders dan anderen. Ook leef ik niet anders dan anderen. Naast dat ik niet leef. Simpel, toch? Nee, het is niet simpel. Ik kan het van mening zijn. Net als het ingewikkeld vinden. Als je ergens geen hout van kan snijden, leg je het weg. Tot je brein verandert en je opeens vat wat je eerder beraadselde.
Wat zeg ik nu? 'Beraadselen' is geen woord. Daar moet ik Van Dale voor bellen. En het het brein, wat weet ik er van? Breng hoe zoiets verandert dan in kaart. Met feiten? Nee, het is droge stof wat ik zeg. In dit opzicht spreekt niemand de waarheid en blijft alles theorie. Dan is de praktijk er een onderdeel, geen onderscheiding van.
Wat ik zeg is hoe een kurk niets is, in verhouding tot de droogte in denken. Misschien is het overlijden de enige oase, wat een eind maakt aan de Sahara des levens. Niet omdat het zo is, maar ter illustratie. Er is vooralsnog geen teken dat er na de dood iemand uit het graf komt. Om aan te geven dat het gestoord wordt van zichzelf. Van de eindeloze larie. Waar we nog een onderscheid in maken ook.
Om niet tegen iemand aan te botsen, oké. Maar dat we dag in dag uit een wereld wanen, welke er niet toe doet? Hoe dan? Waar zit de knop om functioneel te zijn? Om te denken, als denken nodig is. Om niet alleen te ontspannen, maar ook zonder de waanzin waar geen einde aan is. Behalve dat de dood deze er aan maakt. Gok ik. Met net als het brein de vraag, wat weet ik er van?
Als deze woorden niet toekomen in de vorm waarin het ontvangen wordt, kan de waan, welke het ook voor kan stellen, overeenkomen in hoe er vaker wel dan geen inspiratie is om een beleving te beschrijven. Al is dit voor jou, of niet. Ieder zijn of haar smaak. Gaf toen ik peuter speelde maar de Donald Duck. Die eend sprak tenminste alsof er feiten zijn. Wat geen feit is.

Want droge stof is het,

wat ik zeg.