Ken jezelf



         Je hebt het over 'jou', als in mij. Afgezien dat ik niet eens weet wie ik werkelijk ben, hoe moet ik weten wie die 'jou' is? We vertalen ik ben ik en jij jij continu, wijl niemand vertelt hoe de vork in de steel zit. Dat we klakkeloos van jou mij maken en vice versa. Los daarvan, hoe kan ik vanuit jouw ogen kijken? Weten wat jouw versie van 'mij' betreft? Ja, de woorden die we wisselen komen overeen. We doen alsof we ons begrijpen. Net als wanneer het stil is. In vrede met elkaar. Niets is minder waar. Het zijn trucjes, that's all.
Ik heb mijzelf nooit gezien zoals jij mij ziet, qua zicht op zich. Kan ook niet, tenzij ik een out of body overkom, in alle bovennatuurlijkheid. Een spiegel telt niet, die draait de boel om. Plus, het is een reflectie vanuit mij bekeken. Wat jij ziet, met jouw kleur en achtergrond, hoe moet ik dit weten? Al deel je mij dit, waarbij ik dan knik of schud, het is niet de weg. Omwille waarheid is begrip geen eindpunt. Hoe we er ook mee opgroeien en het onderwijs er goed op gaat. Wat niet voor niets onderwijs is, niet wijs.
Wie we zijn is eerder wie we kennen. Het zijn de woorden die we er aan geven. Beginnende met een ik, als middelpunt, 'ben' dit of dat. Wijl inzoomen mij zegt dat we het hebben over wat we kennen. Woorden, het intellect en bijvoorbeeld klank valt te begrijpen. Door er aandacht op te leggen tot het niet vreemd is. Eventueel als omschrijving van iets anders en hop, ik ken het. Weer wat geleerd. Ben ik het? Nee, ik ken het.
We zijn toch met geen woord te beschrijven als we echt interesse tonen? Op een gegeven moment val je toch stil? Dit is wat mij gebeurt. Dan word ik sprakeloos. Krijg ik geen woord te pakken als het er om gaat. Er zijn genoeg woorden, dat wel. Maar geen bruikbare. Ze leken bruikbaar, maar bleken mij niet te kunnen vormen. Waarom zal je? Dingen die komen, gaan en zo glad zijn als... wie identificeert zich met taal? In het geheel dan, niet wanneer je bij de paspoort controle staat.
Als je voldoende bezint is er geen wie begint. In het spreekwoord staat ook nergens dat na het bezinnen, we ergens aan beginnen. Het kan, denkbeeldig. Er zijn aannames zat, men is vol van veronderstelling en er is genoeg waarvan je denkt dat het zo is. Vogel het uit en zie erdoorheen. De praktijk is op school al schaars, met reden. Van jongs af aan opkijken naar 'de realiteit' is gebruikelijk. Na bepaalde mate van leven is er geen werkelijkheid te vinden. Vraagtekens, misschien. Maar een zo is het en niet anders komt iedereen toch eens de strot uit?
Iets kennen is één, maar het zijn, mh. Die vergissing heb ik genoeg gemaakt. Ik zie het worden gemaakt. Maar ik kan er niets aan doen. Het is niet zoals de Sint, wat we op een gegeven moment verklappen. Het is hardnekkig, maar ergens goed in de war om telkens in ik ben huppeldepup te eindigen. Wat niet zo is. Al mag het lijken. Wanneer ik mijzelf vraag wie die 'ik' is, hoe ver kom ik dan? Wat moet ik zeggen?
We verwarren ons continu met het lichaam. Al is niemand elk moment bewust van: ik ben mijn ogen, voeten, bloedvaten, hartklopping, stoelgang, lever en de stront die ik maak. Noch wat ik zie, voel en hoor. Of het verleden wat ik opsom: ik heb dit gedaan, dat meegemaakt, mijzelf A genoemd, B overwonnen, zus bereikt, zo ervaren. Zie het als stront en spoel zo'n theorie, want dit is het, door. Nu beschreef ik een lijstje wat in verhouding- vraag het aan je buurman, ouders en vriend of vriendin. Er is een kans dat er een - ik? Ben dit. Dit? Ben ik - uitrolt. Een vicieuze cirkel, welke frappant genoeg niet zo wordt herkend. Nee, als we ons maar in het lichaam herkennen en dit op anderen toepassen, dan blijft onze benepen bajes bestaan. Kunnen we met povere praat prutsen tot aan de dood. Mijn verbazing was er, maar opmerkende hoe we ons over het algemeen gedragen, neem ik afstand.
Wie is de tredmolen niet bewust? Leest elke dag de krant en voegt zich naar anderen? Het is geen goed of slecht. Dit staat er los van. Wanneer er realisatie is of niet, gaat niemand over. Dit kan je niet leren door te lezen, noch voor streven. Je kan je verrijken met wat naar mysterie wijst, maar het garandeert niets. Je kan ook op de bank naar een soap staren. In het geheel gezien is beide geen probleem. Maar zit je niet stil, denkende een doener te zijn? Doe deugd. Aan de ene kant zijn de woorden die ik gebruik ook trucjes om er zo min mogelijk doeken om te winden. Een poging, tenminste. En het blijven doeken. Ik kan het in taal niet anders brengen dan met taal. Dit is hoe we met elkaar communiceren. Wat je beperkt mag vinden. Vandaar dat stiltes zo aannemelijk kunnen zijn. Elkaar met rust laten. Geen ik jij wij gedoe. Ken jezelf ken de pot op. Wees jezelf is ook maar waas, vanuit een bepaalde hoek bekeken. Heeft ook geen zin om er in te geloven, in dingen die er niet zijn. Wat er wel is? Vraag het je af. Misschien geef je het ten goede op, zoals mij. Komt er misschien een rust voor in de plaats. Een goh, waar heb ik het over?
En waar had jij het over? Mij? Wat wil je nu, werkelijk? Mij in ieder geval niet, dat kan ik je zo zeggen. Al heeft dit ook te maken met dat je nooit zal weten wie ik ben. Net als ikzelf. Zowel wiens zelf dan ook. Dus wie ken je opzij en wie ben je? Een jij? Wat in taal vertaald een van de miljarden ikken op aarde betreft? Er is net beschreven hoe futiel onze fata morgana is. Blijf dus vragen wie, wie en nog eens wie? Op een gegeven moment kan het zijn dat je het ziet. Dat dit gewoon tekentjes zijn op het scherm, kronkels in een boek en een klank om naar te luisteren, niet om er belang in te zien. Onthechten? Het is wellicht wenne, maar dit kenne en wie we benne ken het wegpenne wat het wil, het is er liever voor renne. We zijn zo graag benne, wijl we onszelf ermee ontkenne. Dus, wie is als het ware en wie het ware erkenne?